'Koloniseren is een smaak die je moet leren'—Hugo Claus en Het leven en de werken van Leopold II

Tydskrif vir Letterkunde, Autumn, 2009 by Yves T'Sjoen

Hitler, Stalin, Men who need no introduction. King Leopold of Belgium, that's right Everyone thinks he's so great Well, he owned the Congo He tore it up too Took the diamonds Took the silver Took the gold You know what he left 'em with? Malaria. (Randy Newman: 2008)

Inleiding: "Grootofficier in de Orde van Leopold II"

In 1955 ontving "het 'monstre sacre' van de Vlaamse literatuur, de duivelskunstenaar" Hugo Claus (Bousset 1988: 45) de driejaarlijkse staatsprijs voor toneelliteratuur voor Een bruid in de morgen (1955). Bij Koninklijk Besluit is Claus twee jaar later, op 3 april 1957, op voordracht van de Belgische Minister van Onderwijs, het statuut van Ridder in de Orde van Leopold II toegekend. In april 1966 blikte de schrijver in Haagse Post terug op die royale bekroning. De volgende sarcastische passage is overgenomen in de citatenbundel Hugo Claus. Groepsportret:

   Leopold II is voor mij altijd een beetje een obsessie geweest. In
   1955 [sic] werd ik benoemd in de naar hem genoemde orde, ik wist
   niet goed wat ik ermee moest aanvangen, ik liep uitdagend met het
   lintje rond in de hoop dat een of andere kolonel zou zeggen: "Vlerk,
   wat moet je daarmee?" Het is nooit gebeurd helaas. Ik heb 42 boeken
   over hem gelezen, me grondig over de rentevoet in 1882
   gedocumenteerd en je kan er niet onderuit bewondering voor die man
   te voelen. Hij is de laatste grote koning geweest, een soort
   dinosaurus. Als hij 'wij' zei of schreef, weet je niet of hij het
   over zichzelf heeft, zijn familie, zijn land of zijn dynastie.
   (Schaevers 2004: 217)

De versie van 23 januari 1987 in Vlaams Weekblad klinkt enigszins
anders.

   Die [decoratie] werd mij opgedrongen: als je een Staatsprijs
   gewonnen hebt, dan krijg je automatisch die Orde van Leopold II. Dus
   dat betekent helemaal niks: toen ik 'm net gekregen had--ik geloof
   dat ik een jaar of 22-23 was--heb ik heel vaak rondgelopen met die
   dekoratie, in de hoop dat op de trein een of andere woedende kolonel
   zou zeggen: "Wat doet die vlerk, die snotneus daarmee?"
   (Wildemeersch 1999: 98-99)

Claus werd tot ridder geslagen daags voor zijn achtentwintigste verjaardag.

Op 21 november 1970, dertien jaar na de toekenning van de Orde van de Belgische monarch aan Claus, regisseerde de auteur voor de Nederlandse Comedie in de Stadsschouwburg van Amsterdam Het leven en de werken van Leopold II. 29 taferelen uit de Belgische oudheid. Hij heeft de tekst geschreven in opdracht van de Vereniging Nederlands Toneelverbond, die in 1970 precies een eeuw bestond (Jacobs 2004: 130, 219, 268-69). Niet zozeer het ridderschap in de Leopoldsorde heeft Claus geinspireerd. Daags voor de premiere in Amsterdam, op 20 november 1970, liet de auteur in Het Parool optekenen:

   Een heleboel thema's komen bij mij ook voort uit wat ik dan maar
   gemakshalve een negatief standpunt noem. Er bestond gewoonweg nog
   geen stuk of roman over Leopold II. En nog steeds is hij een grote
   totempaal in Belgie. Men overweegt nu voor hem een groot standbeeld
   op te richten [...]. Nu kan ik dat standbeeld niet opblazen want
   daar heb ik nog geen uur gevangenisstraf voor over, dus moet ik dat
   doen met mijn eigen wapens, mijn eigen middelen. (Schaevers 2004:
   217)

Het leven en de werken van Leopold II (1970) is zonder twijfel een van de meest politiek georienteerde theaterteksten van Claus, en in de toneelkritiek is de eerste opvoering genadeloos neergesabeld. Samen met het libretto Reconstructie (1969, in samenwerking met Harry Mulisch), "een moderne moraliteit over onderdrukking en revolutie in Latijns-Amerika" (Brems 2006: 277), en de toneeltekst Tand om tand (1970), "een toekomstbeeld waarin de Uilenspiegelfiguur Jan van der Molen voor politieke misdaden terecht staat in een fascistoide Vlaamse staat" (Van Schoor 1999: 38-39), is het Leopoldstuk een satirische toneeltekst die politiek getint is en refereert--blijkens de ondertitel - aan een gruwelijke passage in de "Belgische oudheid", met name de route de passage van koning Leopold II in Congo. Die politieke lading en de historische realia, de verwijzing naar namen, data en gebeurtenissen, zijn in de vele andere toneelteksten die Claus schreef en publiceerde in ieder geval minder prominent aanwezig.

Deze bijdrage handelt over Claus' meedogenloze demystificatie van de megalomane Belgische vorst Leopold II, de negentiende-eeuwse Van Saksen-Coburg die vanaf 1880 Congo als vruchtbaar exotisch achtertuintje in het Afrikaanse binnenland koesterde, voor het in 1908 officieel eigendom werd van de Belgische staat (in Claus' toneeltekst worden in de zevenentwintigste scene Leopolds overpeinzingen bij die overdracht gefictionaliseerd). Over Leopold bestonden nogal wat mythes, die vooral door hemzelf en zijn persoonlijke entourage, zowel door politici als wetenschappers, zijn in stand gehouden. Aan die mythevorming en de groteske ontrafeling ervan door Claus wil ik enkele beschouwingen wijden.

In dit essay tracht ik Claus' politiek geinspireerde theaterteksten, geschreven eind jaren zestig en begin zeventig, te beschouwen in de context van diens poetische ontwikkeling. In de poezie van Claus kunnen we begin jaren zestig een opmerkelijke verschuiving vaststellen die wel eens als "een terugval" is beschreven. Geert Buelens verwijst hiervoor naar het belangrijke essay van T. S. Eliot, The Three Voices of Poetry (1953), waarin de eerste stem de dichter is die alleen tot zichzelf spreekt en/of niemand in het bijzonder aanspreekt. De tweede stem is de dichter die zich wel rechtstreeks richt tot een gehoor en de derde stem is de dichter die in versvorm een dramatische figuur opvoert (Buelens 2005: 159-85). Waar de eerste stem resoneert in Claus' vroege experimentele dichterschap (in de jaren vijftig) weerklinkt de derde stem vanaf de bundel Een geverfde ruiter (1961). Die dramatische situering, waarbij we theater en poezie dichter tot elkaar zien komen, wordt door Buelens kenmerkend genoemd voor Claus' poezie in de jaren zestig. De "bezwerende orakeltaal" van de experimentele gedichten, zoals in De Oostakkerse gedichten (1955), ruimt plaats voor een pragmatische poetica, een lezers- en dus publiekgerichte houding van de dichter. Geengageerde gedichten, met het bewuste gebruik van op het eerste gezicht banale anekdoten en volkse uitdrukkingen, de verwijzingen naar verschillende personages en dus het hanteren van het procede van de meerstemmigheid, kunnen worden gelezen als de expressie van Claus' publieke houding. Alleen, het maatschappelijke engagement in Claus' poezie moeten we met de nodige omzichtigheid benaderen omdat de teksten nooit (eenduidig) politieke geschriften of dus pamfletten worden.

 

BNET TalkbackShare your ideas and expertise on this topic

Please add your comment:

  1. You are currently: a Guest |
  2.  

Basic HTML tags that work in comments are: bold (<b></b>), italic (<i></i>), underline (<u></u>), and hyperlink (<a href></a)

advertisement
advertisement
  • Click Here
  • Click Here
  • Click Here
advertisement
Click Here

Content provided in partnership with Thompson Gale