'Koloniseren is een smaak die je moet leren'—Hugo Claus en Het leven en de werken van Leopold II

Tydskrif vir Letterkunde, Autumn, 2009 by Yves T'Sjoen

Als halverwege de jaren zestig blijkt dat Claus' publiekgerichte, geengageerde gedichten hun doel voorbijschieten, en als hermetisch worden beschouwd en dus het noodzakelijke publieke gehoor moeten ontberen, zo heeft Buelens overtuigend aangetoond, introduceert de schrijver in zijn poezie de toon en de taal van zijn dramatische teksten. Claus schrijft al vanaf de jaren vijftig zowel poezie, proza als theater en toont zich een meester in diverse genres, waarvoor hij zich niet aan de klassieke conventies houdt. De dramatische, derde stem die we in de toneelteksten Het Goudland (1967), in Vrijdag (1969) en in Masscheroen (1970) ten gehore krijgen, bepaalt namelijk ook de vertelinstanties in de gedichten die hij zal bundelen in Van horen zeggen (1970). Vooral eind jaren zestig sluiten toneel en poezie in het werk van Claus nauw op elkaar aan. Het is de periode waarin Claus zich het meest uitgesproken maatschappelijk engageert, uiteraard niet toevallig in de roerige revolutionaire jaren zestig, zonder zich ooit dienstbaar op te stellen ten aanzien van een politiek discours of een ideologische visie. Hugo Brems stelt in Altijd weer vogels die nesten beginnen: "Bij Claus [...] geen spoor van dweperij of geloof in een stralende revolutionaire toekomst. Zijn pijlen richt hij in de eerste plaats op de Vlaamse mentaliteit van plantrekkerij en angstige zelfgenoegzaamheid" (Brems 2006: 274). De sociaalkritische burleske Het leven en de werken van Leopold II kunnen we lezen binnen het perspectief van de poeticale ontwikkeling die Claus doormaakt en de derde stem die hij eind 1960 in zijn poezie alle ruimte biedt.

Eerst besteed ik aandacht aan enkele markante verschuivingen in de poezie van Claus in de jaren zestig, en belicht de dramatische setting, de toonzetting en het retorische discours die Claus' poezie--tijdelijk--hebben bepaald. Dat is de toenadering tussen het lyrische en het dramatische genre die zich in zijn oeuvre in die jaren heeft voltrokken. Of anders gezegd: de stemmen die we beluisteren in de bundel Van horen zeggen, en in geengageerde gedichten die hij daarvoor al voordroeg tijdens publieke evenementen, getuigen van de (zelf)bewuste publiekgerichtheid van Claus' schrijverschap. Maar tegelijk laat ook de poetische en taalgerichte eerste stem zich blijvend gelden, de stem die dus volgens Eliot meer op zichzelf is gericht. Immers, op dezelfde dag in november 1970 verschenen bij Claus' Nederlandse uitgeverij De Bezige Bij twee dichtbundels: Van horen zeggen met de light verse en de publieke, soms politiek getinte parlandistische gedichten die tot een gehoor zijn gericht. De bundel Heer Everzwijn omvat meer gesloten, ostentatiever intertekstuele gedichten die geen "volkse stemmen" laten horen of dramatische personages laten spreken.

In een tweede deel haal ik er zijn Congo-stuk Het leven en de werken van Leopold II bij, en ik besteed aandacht aan de hardnekkige Leopold-mythen die de balorige Claus een voor een en met een sardonische grijns ontmaskert. Mijn artikel biedt geen close reading van Claus' toneeltekst, maar poogt integendeel de ideologische context te duiden en de relatie tussen Claus' poezie en diens toneelliteratuur uit die periode te becommentarieren.


 

BNET TalkbackShare your ideas and expertise on this topic

Please add your comment:

  1. You are currently: a Guest |
  2.  

Basic HTML tags that work in comments are: bold (<b></b>), italic (<i></i>), underline (<u></u>), and hyperlink (<a href></a)

advertisement
advertisement
  • Click Here
  • Click Here
  • Click Here
advertisement

Content provided in partnership with Thompson Gale